In quarantaine onderweg naar Pasen (12) – De eeuwigheid als stilte

op zaterdag, 28 maart 2020

De eeuwigheid als stilte

Hoe moet je het diepzinnige, chassidische verhaal dat u gisteren kon lezen nu interpreteren?

Een eerste interpretatiemogelijkheid, zegt Burnier, is deze. ‘Juist het zwijgen is een goddelijk antwoord’. Wat bij God vandaan komt, manifesteert zich bij de mens die zich daarvoor openstelt als licht en liefde. De diepste, de goddelijke oergrond echter openbaart zich als stilte, ‘diepe, totale stilte’.

Zo vind je dat ook in Psalm 65. ‘De stilte zingt U toe, o Here, in uw verheven oord’, staat er in de berijming. Op de berg Horeb openbaart de Heere zich aan Elia in ‘het suizen van een zachte stilte’. (I Kon.19:12) Een lied dat Christus aanroept, begint als volgt: ‘O Liefde die verborgen zijt, in diepe stilten eeuwigheid..’  (Ld.561)

Letters en woorden horen bij het leven in de tijd. Alles valt hier uiteen, is van elkaar onderscheiden. De schepping, het geschapene en alles schepselen, vormen een oneindige veelheid. We hebben de taal nodig. Maar in de eeuwigheid heerst het alles omvattende zijn en is het stil.

Een tweede interpretatiemogelijkheid, die Andreas Burnier geeft is de volgende. Ik geef die weer in eigen woorden.

Zoals er op het vergeefse wachten in de synagoge op antwoord het kaddisj volgt, -een gebed waarin God geprezen wordt, ondanks alles wat er gebeurt-, zo worden wij op onze beurt opgeroepen Hem te prijzen, zelfs al bestaat Hij niet op de wijze waarin wij ons in de manier waarop we bidden, klagen en loven een voorstelling van Hem maken. Wij prijzen Hem ondanks kortsluiting in het contact.

De laatste regel van Burnier maak ik niet mee. ‘Hiermee wordt de mens als het ware niet het schepsel, maar de bron van het goddelijke.’ Als u dit uit kunt leggen, houd ik me aanbevolen!

ds. Treuren

Via de mail kwamen er twee boeiende reacties binnen die ik hier beiden plaats:

Nou zeker weten doe ik het ook niet, maar zoals ik het lees, waren mijn gedachten: als we puur een schepsel zijn, dan is het eenrichtingsverkeer van God naar ons. Hij heeft ons gemaakt en bepaalt ons leven. Zoals een marionet gemaakt wordt door een poppenmaker. Hij zou ons dan ook zeker antwoord geven op ons bidden, op ons klagen. Maar nee, het antwoord is stilte. Het antwoord zal dus uit onszelf moeten komen: kaddisj. Ondanks alle pijn, verdriet, ellende, kortsluiting in het contact; we blijven hem loven en prijzen, we geven zelf het goddelijke antwoord. En wellicht een stap verder: het antwoord op de ellende zal dus ook vanuit onszelf moeten komen. Hoe gaan we ermee om? Wat is ons antwoord? In lijn met wat je eerder in het stuk schreef: “de mens die zich daarvoor openstelt als licht en liefde”. God lost misschien niet alles direct op voor ons, maar omdat we door Hem geschapen zijn om een bron van het goddelijke te zijn, kunnen we het soms zelf ook oplossen (met hulp van Zijn Geest): door het delen van de hoop, het geloof en de liefde. Zou dit niet ongeveer kunnen zijn wat Burnier bedoelt?

Roel op den Hof

Nadenkend over die laatste zin, schoot me het citaat van Augustinus te binnen dat ik aanhaal in mijn blogje van de Tjiftjaf. Zou daarin niet de sleutel liggen tot het antwoord op je vraag? Goed die ons maakte naar zijn beeld om Hem te loven? ‘Gij (God) zet hem (de mens) aan om er vreugde in te vinden U te loven, want Gij hebt ons gemaakt naar U, en rusteloos blijft ons hart totdat het zijn rust vindt in U.’

Annette de Deugd

M. TreurenIn quarantaine onderweg naar Pasen (12) – De eeuwigheid als stilte